Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die een klaagschrift ongegrond verklaarde. Het klaagschrift strekte tot teruggave van een auto waarop conservatoir beslag rustte, na omzetting van een beslag op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) naar een Europees bevriezingsbevel (EBB).
De rechtbank had vastgesteld dat het beslag aanvankelijk was gelegd op basis van artikel 94 Sv Pro naar aanleiding van een EOB van Duitse autoriteiten en later was omgezet in conservatoir beslag op basis van het EBB. De rechtbank oordeelde dat het beslag rechtmatig was en in overeenstemming met het doel van het EBB, en verklaarde het klaagschrift ongegrond.
De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Artikel 445 Sv Pro bepaalt dat tegen beschikkingen alleen cassatieberoep openstaat in de gevallen die het wetboek bepaalt. Artikel 5.5.18 Sv, dat betrekking heeft op bevriezingsbevelen, verklaart enkele bepalingen van Titel IX ‘Beklag’ van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, maar niet artikel 552d lid 2 Sv dat cassatie regelt.
De Hoge Raad concludeerde dat er geen wettelijke grondslag is voor cassatieberoep tegen de bestreden beschikking. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en nam het cassatieberoep niet in behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor cassatie tegen de bestreden beschikking.