ECLI:NL:HR:2025:1355

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
24/04756
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van arrest afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

De Hoge Raad heeft op 19 september 2025 het verzoek om herziening van het arrest van 8 november 2024 beoordeeld. Belanghebbende was gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en kreeg een termijn van vier weken om dit te betalen of een verzoek om ontheffing in te dienen. Hoewel het griffierecht tijdig werd voldaan, werd het verzoek om ontheffing te laat ingediend, waardoor de Hoge Raad dit verzoek niet kon behandelen.

De procureur-generaal heeft advies uitgebracht over het herzieningsverzoek. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek om herziening duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het verzoek zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.

Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Faase, Cools en Peters, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Cichowski.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig ingediend verzoek om ontheffing van griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/04756
Datum19 september 2025
ARREST
op het door [X] ingediende verzoek om herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 8 november 2024, nr. 24/02343, ECLI:NL:HR:2024:1582.
1. Overweging vooraf betreffende het verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht
1.1 De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende bij brief van 7 april 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. In die brief is belanghebbende erop gewezen dat als zij meent het griffierecht niet te kunnen betalen, zij voor het einde van de in die brief gestelde betalingstermijn bij de griffier een verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht kan indienen.
1.2 Belanghebbende heeft het griffierecht op 2 mei 2025, dus tijdig, voldaan.
1.3 Belanghebbende heeft niettemin ter zake van de betaling van het verschuldigde griffierecht een verzoek als hiervoor in 1.1 bedoeld gedaan, dat op 6 mei 2025 door de griffier is ontvangen. Aangezien dat verzoek niet is ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn, komt de Hoge Raad niet toe aan behandeling van dat verzoek.

2.Beoordeling van het verzoek om herziening

De Hoge Raad heeft het verzoek om herziening beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het verzoek om herziening duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het verzoek zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.