Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
30 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen in het in voorraad hebben van valse bankbiljetten van 500 euro. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken. Het hof stelde vast dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en mededaders, gericht op het in voorraad hebben van de valse biljetten.
Het bewijs bestond uit afgeluisterde telefoongesprekken waarin over de verkoop van zogenoemde "postzegels" (code voor valse biljetten) werd gesproken, de onderlinge taakverdeling, en de feitelijke macht over de biljetten. Het hof motiveerde dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de biljetten zonder dat zij de precieze kenmerken hoefde te kennen.
De Hoge Raad bevestigde dat voor het medeplegen van het in voorraad hebben van valse bankbiljetten vereist is dat de verdachte opzettelijk de biljetten aanwezig had en dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking. Het cassatiemiddel dat de bewijsvoering ontoereikend was, faalde. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden, maar zonder gevolgen voor de straf. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de verdachte blijft veroordeeld voor medeplegen in het in voorraad hebben van valse bankbiljetten.