Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1393

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
22/04610
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak medeplegen witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, zoals bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten aan het hofarrest, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds de indiening van het beroep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren vond de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om verdere rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.

De Hoge Raad besloot het cassatieberoep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04610
Datum30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000194-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 september 2025.