Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
5.Beslissing
30 september 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met zeilboten met betrekking tot de invoer van cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van witwassen.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder de vraag naar het opzet van de feiten, medeplegen, en de bewijsvoering omtrent de herkomst van geld. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen geen aanleiding geven tot cassatie en verwierp deze op grond van de motivering in de conclusie van de advocaat-generaal.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden naar 29 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 29 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.