Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1405

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
23/01345
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2.b OpiumwetArt. 10a jo. 10.4 en 10.5 OpiumwetArt. 55 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak metamfetaminelab

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een verdachte betrokken bij een metamfetaminelab in Westdorpe. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het bewerken van metamfetamine en voorbereidingshandelingen, alsmede het aanwezig hebben van grote hoeveelheden van de drug.

De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen: het eerste betrof een bewijsklacht over het opzet bij voorbereidingshandelingen, dat niet tot vernietiging leidde. Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late verzending van stukken door het hof en een lange duur van het cassatieproces.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en dat dit een strafvermindering rechtvaardigde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor de strafduur en verminderde de gevangenisstraf met vier jaar tot een duur van drie jaar en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Trotman, en uitgesproken op 30 september 2025.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01345
Datum30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2023, nummer 20-002983-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 september 2025.