Uitspraak
1.Waar het in deze zaak om gaat
2.Het cassatieberoep
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
4.Beslissing
30 september 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het kader van een pilot met instemming van het openbaar ministerie en de verdediging getuigen laten horen door een senior gerechtsjurist, een gerechtsambtenaar die niet als ambtenaar met rechtspraak belast is. De verdediging had hiervoor toestemming gegeven. De procureur-generaal stelde cassatie in het belang der wet tegen deze werkwijze.
De Hoge Raad onderzocht of de raadsheer-commissaris zijn verhoorbevoegdheid kan delegeren aan een senior gerechtsjurist. Op grond van de relevante wetsartikelen (onder meer art. 411a Sv, art. 420 Sv Pro en art. 14 RO Pro) is het verhoor van getuigen door de raadsheer-commissaris zelf of een door het hof aangewezen raadsheer-commissaris te verrichten. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid dat een niet-rechterlijke functionaris dit verhoor afneemt.
De Hoge Raad oordeelde dat de beslissing van de raadsheer-commissaris om het verhoor door een senior gerechtsjurist te laten verrichten een onjuiste rechtsopvatting weerspiegelt en vernietigde deze beslissing in het belang der wet. Hiermee wordt bevestigd dat het horen van getuigen in strafzaken door een raadsheer-commissaris moet worden verricht, tenzij het verhoor wordt opgedragen aan een opsporingsambtenaar volgens specifieke wettelijke bepalingen.
De uitspraak benadrukt het belang van naleving van de wettelijke regels omtrent het horen van getuigen en waarborgt de rechtsgeldigheid van het strafproces.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing waarbij getuigenverhoor werd verricht door een senior gerechtsjurist in plaats van een raadsheer-commissaris wegens onjuiste rechtsopvatting.