ECLI:NL:HR:2025:1443

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
28 september 2025
Zaaknummer
24/00533
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 134 lid 2 sub a SvArt. 552a SvArt. 12 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens beëindiging beslag op mobiele telefoons

In deze zaak betrof het cassatieberoep de teruggave van drie mobiele telefoons die in beslag waren genomen onder de klager wegens verdenking van drugshandel en witwassen. De rechtbank had het klaagschrift van de klager tot teruggave ongegrond verklaard.

De Hoge Raad heeft echter vastgesteld dat het openbaar ministerie inmiddels de teruggave van de telefoons aan de klager heeft gelast, waardoor het beslag op grond van artikel 134 lid 2 onder Pro a van het Wetboek van Strafvordering is beëindigd. Dit leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Hoewel de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klacht inging, merkte hij op dat ook na een last tot teruggave de bewaarder zorgvuldig moet omgaan met het voorwerp en zich moet inspannen om de betrokkene op een actueel adres te bereiken. Indien niet aan deze zorgvuldigheidseis wordt voldaan, kan de betrokkene zich wenden tot het OM, de nationale ombudsman of de civiele rechter.

De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 30 september 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beslag op de telefoons inmiddels is beëindigd door een last tot teruggave.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00533 B
Datum30 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2024, nummer RK 23/025805, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat K. Hoesenie bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de klager heeft schriftelijk op de conclusie en aanvullende conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming onder de klager van drie mobiele telefoons. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond verklaard.
2.2
Uit door de griffie van de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen blijkt dat het openbaar ministerie inmiddels de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager heeft gelast.
2.3
Hieruit volgt dat het beslag inmiddels op grond van artikel 134 lid Pro 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering is beëindigd. Daarom zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
2.4
Gelet op het voorgaande komt de Hoge Raad niet toe aan de bespreking van de klacht van het cassatiemiddel die ziet op de afhandeling van het beslag nadat een last tot teruggave was gegeven en die, kort gezegd, inhoudt dat het bericht dat de telefoons konden worden afgehaald naar een achterhaald adres is gestuurd en dat die telefoons vervolgens zijn vernietigd omdat deze niet tijdig waren opgehaald.
De Hoge Raad merkt naar aanleiding van die klacht wel het volgende op. Ook als het beslag is beëindigd door een bevel tot teruggave van het betreffende voorwerp, moet de bewaarder zorgvuldig met dat voorwerp omgaan en het nodige doen om dit bevel uit te voeren, bijvoorbeeld door zich in te spannen de betrokkene op een actueel adres te bereiken. Dat volgt ook uit de nota van toelichting bij de totstandkoming van artikel 12 van Pro het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, die onder meer inhoudt:
“Uitgangspunt is dat van de overheid voldoende inspanning mag worden verwacht om de bekende rechthebbende (de oorspronkelijk beslagene of iemand wiens recht op het voorwerp evident aannemelijker werd geacht) op de hoogte wordt gebracht dat het voorwerp aan hem ter beschikking staat.” (Staatsblad 1995, 699, p. 11.)
Wordt niet aan deze zorgvuldigheideis voldaan dan kan de betrokkene zich desgewenst wenden tot het openbaar ministerie, en zo nodig tot de nationale ombudsman of de civiele rechter.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 september 2025.