ECLI:NL:HR:2025:1475
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over werkelijk rendement in box 3 en vermindert aanslag
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2018 opgelegd aan de erfgenamen van [A]. De discussie spitste zich toe op de vraag hoe het werkelijk rendement in box 3 moet worden vastgesteld, met name of ongerealiseerde waardeveranderingen daarin moeten worden meegenomen.
De Rechtbank had het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op basis van het werkelijk rendement, inclusief ongerealiseerde waardevermeerderingen, en hield rekening met het heffingvrije vermogen. Het Hof corrigeerde dit door ongerealiseerde waardevermeerderingen buiten beschouwing te laten en hield eveneens rekening met het heffingvrije vermogen, wat leidde tot een lager belastbaar inkomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een te beperkte uitleg gaf aan het begrip werkelijk rendement en onterecht het heffingvrije vermogen in de berekening betrok, verwijzend naar een eerder arrest van 6 juni 2024. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraken van Hof en Rechtbank en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €739, zijnde de som van gerealiseerde en ongerealiseerde waardevermeerderingen.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep in cassatie gegrond. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €739.