Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1494

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
24/04546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 435 lid 1 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2:260 SrC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak medeplegen gekwalificeerde doodslag bij gewapende roofoverval in Curaçao

De zaak betreft een gewapende roofoverval midden in de nacht op Curaçao, waarbij verdachte werd verdacht van medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had verdachte veroordeeld. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging met strafvermindering, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad beoordeelde de klachten van verdachte, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het hofvonnis en verwierp het beroep. De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Ambtshalve oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM Pro niet was overschreden, omdat de verdachte reeds in detentie was voor een andere strafzaak en de termijn daarom twee jaar bedroeg. De uitspraak werd gedaan binnen deze termijn.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus op 7 oktober 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, het hofvonnis blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04546 C
Datum7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 4 april 2024, nummer H-90/23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevond zich ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering weliswaar in detentie, maar dat was in verband met een andere strafzaak. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet zestien maanden maar twee jaren bedraagt. De Hoge Raad doet uitspraak binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro niet is overschreden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 oktober 2025.