ECLI:NL:HR:2025:1509

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
23/01464
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.B OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak medeplegen uitvoer en vervoer amfetamine

De Hoge Raad heeft op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van de uitvoer en het vervoer van amfetamine naar Zweden. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte een gevangenisstraf van acht jaren opgelegd.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de straf. De Hoge Raad heeft de klachten over de inhoud van het arrest beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest, zodat het beroep voor het overige wordt verworpen.

De Hoge Raad heeft ambtshalve beoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de gevangenisstraf van acht jaren naar zeven jaren en zes maanden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en vermindert deze, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht jaren naar zeven jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01464
Datum14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2023, nummer 21-001150-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.E. van der Werf bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 oktober 2025.