Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld op ontvankelijkheid. De dagvaarding voor de terechtzitting van het hof was aan de verdachte persoonlijk betekend, waardoor het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moest worden ingesteld. De einduitspraak van het hof dateert van 9 februari 2024, maar het cassatieberoep werd pas op 11 maart 2024 ingediend.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege deze termijnoverschrijding. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen. De uitspraak werd gedaan op 14 oktober 2025 door de strafkamer van de Hoge Raad, bestaande uit de vice-president als voorzitter en twee raadsheren.
Deze beslissing benadrukt het belang van strikte naleving van termijnen in het cassatieproces en bevestigt dat de Hoge Raad niet bevoegd is om een cassatieberoep te behandelen dat niet tijdig is ingesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.