Uitspraak
1.Procesverloop
13 september 2022 en 26 maart 2024.
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 oktober 2025.
Hoge Raad
Ortelius Wealth Management B.V. stelde zich in cassatie op het standpunt dat zij niet tekortgeschoten was door niet per eind 2008 de mogelijkheid tot uittreden uit haar fondsen op te schorten. De beleggers, als verweerders, verzetten zich tegen dit beroep. De zaak betrof een geschil over de vraag of de fondsbeheerder haar verplichtingen had geschonden door het niet tijdig opschorten van uittreding, wat gevolgen had voor de belangen van de beleggers.
De Hoge Raad verwijst voor het gedingverloop naar eerdere vonnissen en arresten van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam. Na beoordeling van de klachten over de arresten van het hof concludeert de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad motiveert dit niet nader omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Ortelius en veroordeelt haar in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een bedrag van €3.073,-. De uitspraak is gedaan door de raadsheren Salomons, Makkink en Teuben, en in het openbaar uitgesproken door ter Heide.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Ortelius wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.