Uitspraak
1.Procesverloop
[verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.Beslissing
10 oktober 2025.
Hoge Raad
In deze zaak hebben eisers cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin een geschil over de uitleg van een overeenkomst centraal stond. Het hof had eerder geoordeeld over de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in het verbintenissenrecht.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen en arresten, waaronder het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Zowel het principale als het incidentele cassatieberoep zijn door de Hoge Raad verworpen, waarbij de klachten onvoldoende zijn bevonden om het arrest van het hof te vernietigen.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Partijen zijn veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waarbij de kosten aan de zijde van de wederpartij zijn vastgesteld en wettelijke rente wordt toegepast bij niet-tijdige betaling.
Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 10 oktober 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep worden verworpen, het arrest van het hof blijft in stand.