Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 oktober 2025.
Hoge Raad
In deze zaak staat een geschil tussen twee vennootschappen centraal over een niet-uitgevoerd zorgvilla-project voor psychogeriatrische cliënten. [Eiseres] en [verweerster] sloten een intentieovereenkomst eind 2015, waarbij [eiseres] onderzoek zou doen naar de haalbaarheid van het project. Bij haalbaarheid zou een investeerder een huurovereenkomst sluiten met een aan [verweerster] gelieerde vennootschap die de zorgvilla zou exploiteren. Het project is echter niet uitgevoerd.
[Eiseres] vordert een verklaring voor recht dat een (romp)overeenkomst tot stand is gekomen, dat [verweerster] toerekenbaar tekort is geschoten en dat zij schadevergoeding moet betalen. De rechtbank wees deze vorderingen toe, maar het hof Arnhem-Leeuwarden verwierp de schadevergoeding omdat de winst op een alternatief project (het Apollo-project) hoger was dan de hypothetische winst van het niet-uitgevoerde [verweerster]-project.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onduidelijkheid heeft gelaten over de vraag of het gebruikte bedrag van €9.300.000 als bruto- of nettobedrag moet worden beschouwd. Dit leidt tot vernietiging van het arrest en verwijzing naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad [verweerster] in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.