ECLI:NL:HR:2025:1573
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over vergoeding griffierecht bij overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke belastingzaak
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam die de vergoeding van griffierecht aan belanghebbende had afgewezen. Het geschil betrof de vraag of het griffierecht dat belanghebbende bij de Rechtbank had betaald, moest worden vergoed in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof had geoordeeld dat vergoeding van griffierecht niet aan de orde was, omdat het beroep ongegrond was verklaard en de toekenning van immateriële schade wegens termijnoverschrijding niet automatisch leidt tot vergoeding van griffierecht. De Hoge Raad komt in dit arrest terug op eerdere rechtspraak en stelt dat bij overschrijding van de redelijke termijn vóór 31 mei 2024 en een verzoek tot vergoeding van immateriële schade vóór die datum, recht bestaat op vergoeding van griffierecht.
Omdat belanghebbende tijdig een verzoek had ingediend en de redelijke termijn was overschreden vóór de genoemde datum, oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het bij de Rechtbank, het Hof en in cassatie betaalde griffierecht. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad wordt veroordeeld tot vergoeding van de griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt vergoeding van het betaalde griffierecht wegens overschrijding van de redelijke termijn.