ECLI:NL:HR:2025:1592

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
23/01535
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens medeplegen witwassen geldbedragen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 april 2023, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een geldbedrag van €37.340. De advocaat van verdachte stelde een cassatiemiddel voor, maar de advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten over het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren acht de Hoge Raad dit echter voldoende en verbindt geen andere rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding.

De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen wordt bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01535
Datum4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 april 2023, nummer 23-000645-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A. Kilinç bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2025.