Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van geldbedragen ter waarde van € 37.340, op grond van artikel 420bis.1.b Sr.
De verdediging voerde meerdere bewijsklachten aan, met name over de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte inconsistent had verklaard over de herkomst van het geld en of de weergave van zijn verklaringen correct was. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast beoordeelde de Hoge Raad ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren vond de Hoge Raad dat de overschrijding geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.
Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren.