ECLI:NL:HR:2025:1593

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
23/01571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen witwassen geldbedragen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van geldbedragen ter waarde van € 37.340, op grond van artikel 420bis.1.b Sr.

De verdediging voerde meerdere bewijsklachten aan, met name over de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte inconsistent had verklaard over de herkomst van het geld en of de weergave van zijn verklaringen correct was. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast beoordeelde de Hoge Raad ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren vond de Hoge Raad dat de overschrijding geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.

Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01571
Datum4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 april 2023, nummer 23-000646-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A.J. Verploegh bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2025.