ECLI:NL:HR:2025:1630

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
23/02228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359 lid 2 SvArt. 8.5 WVW 1994Art. 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak rijden onder invloed en gevaar veroorzaken op de weg

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake rijden onder invloed van MDMA en het veroorzaken van gevaar op de weg door plotseling van rijstrook te wisselen en tegen obstakels te rijden.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur en een geheel voorwaardelijke geldboete van € 850. In cassatie werden klachten ingediend over het bewijs en de uitvoering van het bloedonderzoek, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar vond dit, gelet op de lichte straf, geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van taakstraf en voorwaardelijke geldboete blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02228
Datum4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 juni 2023, nummer 22-001625-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 30 uren en de geheel voorwaardelijke geldboete van € 850 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2025.