Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte over het oordeel van het hof, waaronder de vraag of het hof terecht voorwaardelijk opzet aannam op basis van de verstrekte omzetcijfers aan de boekhouder, beoordeeld en verworpen.
Daarnaast is de redelijke termijn in de procedure aan de orde gesteld. De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof mocht het moment van aanhouding als aanvang van de redelijke termijn hanteren en oordeelde terecht dat een deel van de overschrijding in hoger beroep te wijten was aan de wijze van procesvoering door de verdediging.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn rechtsgevolgen te verbinden vanwege de beperkte mate van overschrijding. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand ondanks beperkte overschrijding van de redelijke termijn.