Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de heling van een elektrische fiets en een elektrische step centraal, waarbij verdachte werd vervolgd op grond van artikel 416, lid 1, onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam had op 5 april 2024 een arrest gewezen waarin verdachte werd veroordeeld. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De klachten van de verdachte richtten zich onder meer tegen de bewijsvoering en de motivering van het hof, met name het verweer dat verdachte ten tijde van het voorhanden hebben niet wist of kon vermoeden dat de goederen door een misdrijf waren verkregen. Ook werd aangevoerd dat de bewezenverklaring was gebaseerd op redengevende omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen waren vermeld.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij werd verwezen naar artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat de Hoge Raad niet hoeft te motiveren waarom hij tot zijn oordeel komt indien de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast is ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, waarbij de eisen aan de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van cassatieberoep werden besproken, waaronder de rol van de advocaat en de griffiemedewerker bij e-mailcommunicatie, en de correcte vermelding van cassatieberoep in plaats van hoger beroep.
Het arrest is op 11 november 2025 gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman. Het beroep is verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.