ECLI:NL:HR:2025:1650

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
24/01114
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 246 Sr (oud)Art. 60.1 SrArt. 63 SrArt. 440 lid 1 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen bijkomende straf ontzetting huisarts

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte, een huisarts, werd veroordeeld voor verkrachting en feitelijke aanranding van eerbaarheid van een patiënt. Naast de hoofdstraffen werd een bijkomende straf opgelegd: ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de opgelegde bijkomende straf. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is om de motivering te geven.

Ambtshalve heeft de Hoge Raad een opmerking gemaakt over de toepassing van ambtshalve cassatie bij overschrijding van de wettelijke maximumduur van een bijkomende straf. De Hoge Raad benadrukt dat hij deze bevoegdheid tegenwoordig zeer spaarzaam toepast, mede vanwege beperkte capaciteit en het belang van een snelle afdoening van strafzaken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat klachten die niet zijn ingebracht een weloverwogen keuze kunnen zijn, zeker in gevallen waarin het ter discussie stellen van de bijkomende straf gevolgen kan hebben voor de hoofdsanctie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de opgelegde bijkomende straf van ontzetting uit het medisch beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01114
Datum11 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 maart 2024, nummer 20-002832-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep uit te oefenen.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve opmerking over de duur van de opgelegde bijkomende straf

Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en 5 over de toepassing van ambtshalve cassatie in verband met de wettelijke maximumduur van de betreffende bijkomende straf merkt de Hoge Raad het volgende op. In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie op grond van artikel 440 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak om strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op de ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door een raadsman of door het openbaar ministerie, de Hoge Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht kan berusten op een weloverwogen keuze. (Vgl. HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:921.) Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in een geval zoals dit waarin het gaat om de duur van een opgelegde bijkomende straf. Denkbaar is immers dat een verdachte in dat onderdeel van de strafoplegging berust, terwijl het ter discussie stellen daarvan consequenties kan hebben voor de – na een eventuele terugwijzing – op te leggen hoofdstraf.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 november 2025.