Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak was verdachte veroordeeld door het gerechtshof Den Haag voor belaging, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van tachtig uren werden opgelegd, subsidiair veertig dagen hechtenis.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het feit dat hij vanwege de oprichting van een bedrijf in Marokko in het buitenland moest verblijven en daardoor de taakstraf in Nederland niet kon uitvoeren. Tevens werd aangevoerd dat het hof zijn voorlopige gedachten over het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf niet met de verdediging had gedeeld, wat in strijd zou zijn met het recht op hoor en wederhoor.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging van het hof met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.