Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 43.082,22, verband houdend met bewezenverklaarde feiten van medeplegen invoer van cocaïne en lidmaatschap van een criminele organisatie in 2011-2012.
Het hof had geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen waren dat de betrokkene ook voorafgaand aan de bewezenverklaarde perioden soortgelijke strafbare feiten had begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel had verkregen. Dit oordeel baseerde het hof onder meer op verklaringen, roostergegevens en kasopstellingen volgens de methode van eenvoudige kasopstelling.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voldoende aanwijzingen zijn voor die soortgelijke feiten vóór de bewezenverklaarde periode. De verklaringen en omstandigheden bieden geen sluitend bewijs dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2010 tot 1 november 2011 strafbare feiten heeft gepleegd die het geschatte wederrechtelijk voordeel kunnen verklaren.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling. De Hoge Raad benadrukt de toepassing van artikel 36e Sr en de eis dat aanwijzingen voor soortgelijke feiten buiten redelijke twijfel moeten zijn vastgesteld in ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling vanwege onvoldoende aanwijzingen voor soortgelijke feiten.