ECLI:NL:HR:2025:1712

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
23/02371
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337.1.b SrArt. 359a SvArt. 81.1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijk bezit namaak merkschoenen en AirPods

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk in voorraad hebben van namaak merkschoenen en namaak AirPods, in strijd met artikel 337, lid 1, sub b van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige doorzoeking van een zeecontainer. Het hof had echter geoordeeld dat de verhuurder van de container bevoegd was om toestemming te geven voor de doorzoeking en dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond. Daarnaast werd betwist of uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de valsheid van de waren.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat gezien de opgelegde taakstraf van tachtig uur geen verdere rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefden te worden.

Het cassatieberoep werd verworpen en het hofarrest bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijk bezit van namaakgoederen blijft in stand met een taakstraf van tachtig uur.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02371
Datum18 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juni 2023, nummer 20-001273-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van de Kerkhof bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uur, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2025.