Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk in voorraad hebben van namaak merkschoenen en namaak AirPods, in strijd met artikel 337, lid 1, sub b van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige doorzoeking van een zeecontainer. Het hof had echter geoordeeld dat de verhuurder van de container bevoegd was om toestemming te geven voor de doorzoeking en dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond. Daarnaast werd betwist of uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de valsheid van de waren.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat gezien de opgelegde taakstraf van tachtig uur geen verdere rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefden te worden.
Het cassatieberoep werd verworpen en het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijk bezit van namaakgoederen blijft in stand met een taakstraf van tachtig uur.