ECLI:NL:HR:2025:1714

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
23/02546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontnemingsvordering inzake wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepstekkenhandel

De betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit de verkoop van hennepstekken. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had deze vordering toegewezen en daarbij onder meer de vraag behandeld of het hof mocht uitgaan van een inkoopprijs van €1 per hennepstek.

De betrokkene stelde in cassatie dat de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist was, omdat de handel in hennepstekken niet van hem maar van een mededader was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit standpunt voldoende had onderbouwd en dat de toerekening pondspondsgewijs moest plaatsvinden conform artikel 359 lid 2 Sv Pro.

Hoewel de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, leidde dit niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad verwees naar een samenhangende strafzaak waarin de termijnoverschrijding zal worden beoordeeld op mogelijke compensatie. Het beroep in cassatie werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02546 P
Datum18 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juni 2023, nummer 20-001984-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat S.P.H. Brinkman bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/02549 is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2025.