Art. 287 SrArt. 285 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging tot doodslag en bedreiging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over poging tot doodslag en meermalen gepleegde bedreiging in 2018 in Waddinxveen. De verdachte had tijdens een ruzie bij zijn woning een vuurwapen getoond en gericht geschoten.
De Hoge Raad beoordeelde klachten over de bewijsvoering en de behandeling van immateriële schadevorderingen van benadeelde partijen, maar oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRMPro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Op advies van de advocaat-generaal vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van 43 naar 41 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd een proportionele straf opgelegd met inachtneming van de procesrechtelijke termijnen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 43 naar 41 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04848
Datum25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2023, nummer 22-003196-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat L.A. Alderlieste bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partijen is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 43 maanden.
4.Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 41 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.