Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met de productie van MDMA. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of het hof ter motivering van de bewezenverklaring mocht verwijzen naar feiten buiten de bewezenverklaarde periode die niet uit bewijsmiddelen konden worden afgeleid.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte mate van overschrijding is er geen aanleiding om aan dit oordeel verdere rechtsgevolgen te verbinden.
De Hoge Raad heeft uiteindelijk het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.