Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
4 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen aan betrokkene, die medeplichtig was aan medeplegen van oplichting.
Het cassatieberoep is ingesteld door betrokkene, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen de termijn schriftelijk klachten in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 4 februari 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.