ECLI:NL:HR:2025:1768

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24/03917
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107.1 Wetboek Militair StrafrechtArt. 359.2 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wachtdelict ondanks slapen tijdens nachtdienst als wachtcommandant kasteel

De zaak betreft een militaire strafzaak waarin de verdachte als wachtcommandant belast was met de beveiliging van een kasteel tijdens een nachtdienst. De verdachte werd verweten dat hij enige tijd op een bank in de ontspanningsruimte heeft gelegen en geslapen, wat een wachtdelict oplevert volgens art. 107.1 Wetboek Militair Strafrecht.

In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders en veroordeelde hem. Het hof baseerde zijn oordeel op getuigenverklaringen waaruit bleek dat de verdachte enige uren met gesloten ogen op een bank lag en ook geslapen heeft. Het hof vond dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in slaap zou vallen, mede gelet op zijn eigen verklaringen over vermoeidheid en omstandigheden.

De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten in over de bewijswaardering en de motivering van het hof, waaronder dat het gevaarzetting onvoldoende concreet was gemaakt. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het slapen tijdens de nachtdienst een schending van de bijzondere waakzaamheidsverplichting vormde en dat daardoor een concreet gevaar voor de veiligheid was ontstaan.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het arrest kan leiden en verwerpt het beroep. Hiermee blijft de veroordeling van het hof in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling wegens wachtdelict door slapen tijdens nachtdienst.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03917 M
Datum25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, van 10 oktober 2024, nummer 21-003319-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.P.K. Ruperti bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering) van het bewezenverklaarde.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 tot en met 5.

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 november 2025.