Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
25 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een militaire strafzaak waarin de verdachte als wachtcommandant belast was met de beveiliging van een kasteel tijdens een nachtdienst. De verdachte werd verweten dat hij enige tijd op een bank in de ontspanningsruimte heeft gelegen en geslapen, wat een wachtdelict oplevert volgens art. 107.1 Wetboek Militair Strafrecht.
In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders en veroordeelde hem. Het hof baseerde zijn oordeel op getuigenverklaringen waaruit bleek dat de verdachte enige uren met gesloten ogen op een bank lag en ook geslapen heeft. Het hof vond dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in slaap zou vallen, mede gelet op zijn eigen verklaringen over vermoeidheid en omstandigheden.
De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten in over de bewijswaardering en de motivering van het hof, waaronder dat het gevaarzetting onvoldoende concreet was gemaakt. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het slapen tijdens de nachtdienst een schending van de bijzondere waakzaamheidsverplichting vormde en dat daardoor een concreet gevaar voor de veiligheid was ontstaan.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het arrest kan leiden en verwerpt het beroep. Hiermee blijft de veroordeling van het hof in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling wegens wachtdelict door slapen tijdens nachtdienst.