ECLI:NL:HR:2025:1776

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
23/02118
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 EVRMArt. 36e lid 3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bestuurder uitzendbureau

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bestuurder en enig aandeelhouder van een uitzendbureau in de tuinbouwsector. De betrokkene maakte valse kwitanties en loonstroken op, waardoor werknemers minder betaald kregen dan waar zij recht op hadden.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van de betrokkene tegen het hof en verwierp deze, behalve het cassatiemiddel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan, wat leidt tot een schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro.

Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verminderde deze van €325.000 naar €320.000. Voor het overige werd het beroep verworpen. De motivering van het hof dat al het geld dat de vennootschap heeft achtergehouden als voordeel van de betrokkene zelf moet worden aangemerkt, bleef ongewijzigd.

Uitkomst: Betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot €320.000 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02118 P
Datum25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2023, nummer 22-003573-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan door de Hoge Raad en tot verwerping voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 325.000.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 320.000 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 november 2025.