Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
25 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bestuurder en enig aandeelhouder van een uitzendbureau in de tuinbouwsector. De betrokkene maakte valse kwitanties en loonstroken op, waardoor werknemers minder betaald kregen dan waar zij recht op hadden.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van de betrokkene tegen het hof en verwierp deze, behalve het cassatiemiddel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan, wat leidt tot een schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verminderde deze van €325.000 naar €320.000. Voor het overige werd het beroep verworpen. De motivering van het hof dat al het geld dat de vennootschap heeft achtergehouden als voordeel van de betrokkene zelf moet worden aangemerkt, bleef ongewijzigd.
Uitkomst: Betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot €320.000 wegens overschrijding redelijke termijn.