ECLI:NL:HR:2025:1777

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
23/02569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 420ter SrArt. 420bis.1.a SrArt. 420bis.1.b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen gewoontewitwassen

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen voor de strafmaat, met vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte klachten onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. Er was geen noodzaak tot motivering omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor een strafvermindering op haar plaats was.

De straf werd verminderd van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, naar vijftien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vijftien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02569
Datum25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2023, nummer 23-001716-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.R. Kops bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 november 2025.