Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 november 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van medeplegen van gewoontewitwassen, maar in hoger beroep veroordeeld. Het hof oordeelde dat de bewezenverklaring niet ontoereikend was en baseerde zich op bewijsvoering omtrent het medeplegen van het gronddelict belastingontduiking. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat medeplegen van het gronddelict niet afzonderlijk bewezen hoeft te worden en dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd.
De Hoge Raad wijst ook het standpunt van de verdachte af dat de gelden niet individualiseerbaar zijn vanwege het ontbreken van een behoorlijke administratie. De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie van het bewezenverklaarde. Wel oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijzigt deze in de verminderde straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.