ECLI:NL:HR:2025:178

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
22/02706
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 326a Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen flessentrekkerij

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van flessentrekkerij. De verdediging voerde een bewijsklacht aan over het oogmerk en stelde dat de verdachten voornemens waren de bestelde computeronderdelen te betalen. Deze klacht werd door de Hoge Raad niet ontvankelijk geacht voor vernietiging.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het hofarrest maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering daarvan. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de klachten over het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden, zodat het hofarrest in zijn geheel werd bevestigd behalve de strafduur.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, werd de strafduur ambtshalve verminderd van 21 maanden naar 19 maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordeling en het hofarrest in stand bleven.

De uitspraak is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Dalebout en Posthumus, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 4 februari 2025.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 21 naar 19 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02706
Datum4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, nummer 23-002212-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat in Breukelen UT, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 19 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2025.