Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2024, waarin hij werd veroordeeld voor gewoontewitwassen van geldbedragen op grond van artikel 420ter jo. 420bis.1.b Sr. Het hof had geoordeeld dat het enkele contant opnemen van girale geldbedragen valt onder de gedragingen 'overdragen, omzetten of gebruik maken' en dat deze gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als gewoontewitwassen.
De advocaat van de verdachte heeft een cassatiemiddel ingediend, maar de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus. Het beroep is op 2 december 2025 verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof over gewoontewitwassen.