Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
28 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of eerdere dienstverbanden die door de werknemer zelf waren beëindigd, meegeteld moeten worden bij de berekening van de transitievergoeding bij het einde van een later dienstverband. De werknemer was in juni 2011 in dienst getreden en had zijn eerste arbeidsovereenkomst zelf opgezegd per 1 oktober 2017. Vervolgens trad hij op 1 maart 2018 opnieuw in dienst bij dezelfde werkgever.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst op de g-grond wegens een verstoorde arbeidsverhouding en kende een transitievergoeding toe. Het hof vernietigde het bedrag van de transitievergoeding en wees een hoger bedrag toe, waarbij het eerdere dienstverband niet werd meegerekend.
De werknemer stelde in cassatie dat ook het eerdere dienstverband moet worden meegeteld. De Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde dat de transitievergoeding alleen verschuldigd is indien het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij de werkgever ligt of bij ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De samentellingsregel geldt niet voor door de werknemer beëindigde dienstverbanden zonder ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever.
Het incidentele cassatieberoep van de werkgever werd buiten behandeling gelaten omdat het aan de voorwaarde voor behandeling niet voldeed. De Hoge Raad veroordeelde de werknemer in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat eerdere door de werknemer beëindigde dienstverbanden niet meetellen bij de berekening van de transitievergoeding.