Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een rechtspersoon werd veroordeeld voor actieve niet-ambtelijke omkoping en medeplegen van het opmaken van een valse authentieke akte. De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan en stelde bewijsuitsluiting voor wegens schending van het nemo tenetur-beginsel en de onschuldpresumptie.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet te motiveren omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht. Wel is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling is overschreden.
Als gevolg daarvan heeft de Hoge Raad de opgelegde geldboete verminderd van €9.000 naar €8.550. Het beroep is voor het overige verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordeling en het hofarrest in stand blijven.
De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de waarnemend griffier aanwezig was, tijdens een openbare terechtzitting op 2 december 2025.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd naar €8.550 wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige veroordeling blijft in stand.