Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor verkrachting van een ontwakende 20-jarige vrouw, waarbij het hof hem veroordeelde tot twintig maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het hofarrest, met name over het opzet op dwang en het DNA-bewijs, maar verwierp deze klachten zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde straf.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot negentien maanden en twee weken, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.