Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1825

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
23/02588
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 343 lid 1 SrArt. 344a lid 2 sub 1 SrArt. 344a lid 2 sub 2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in faillissementsfraudezaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor faillissementsfraude, het niet voldoen aan administratieplichten en het niet verstrekken van administratie aan de curator. De verdachte werd beschuldigd van het onttrekken van € 92.897,37 aan de boedel van twee rechtspersonen, met als doel schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden te benadelen.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad heeft geen uitgebreide motivering gegeven omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Wel heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met negen maanden.

De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze tot acht maanden en drie weken, en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02588
Datum9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2023, nummer 21-001674-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2025.