Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een ongeval en het weigeren van een bloedonderzoek, beide strafbaar gesteld in de Wegenverkeerswet 1994.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof het verweer van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht niet juist had opgevat, mede gelet op de uitzonderingsbepaling in artikel 163 lid 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (oud). Daarnaast werd betwist of het hof voldoende gemotiveerd had waarom het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde.
De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het hof heeft het verweer van de raadsman niet hoeven opvatten als een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid of psychische overmacht en heeft voldoende motieven gegeven voor de strafoplegging. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot nadere motivering en verwerpt het cassatieberoep.
De uitspraak bevestigt daarmee het belang van een zorgvuldige strafmotivering en de beperkte rol van de Hoge Raad bij de toetsing van feiten en omstandigheden in cassatieprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de straf van zes weken gevangenisstraf en twee jaar rijontzegging.