Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit de verkoop van cocaïne en heroïne. De betrokkene werd door de politierechter veroordeeld tot ontneming van een geschat bedrag, waarbij het vonnis volstond met een summiere opgave van bewijsmiddelen in het proces-verbaal.
In hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene primair afwijzing en subsidiair matiging van de ontnemingsvordering bepleit, waarbij hij de schatting van het w.v.v. betwistte en concrete bezwaren aanvoerde tegen de gebruikte bewijsmiddelen en de berekening daarvan. Het hof bevestigde echter het vonnis van de politierechter zonder de inhoud van de bewijsmiddelen in zijn uitspraak op te nemen.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 359 lid 3 Sv Pro en artikel 511f Sv de schatting van het w.v.v. slechts mag worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen waarvan de inhoud met voldoende nauwkeurigheid in het vonnis moet worden weergegeven, zeker wanneer de schatting in hoger beroep wordt betwist. Het hof had daarom het vonnis niet zonder meer mogen bevestigen, maar diende de gronden aan te vullen met een weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.
Gelet hierop vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij het hof de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel adequaat moet geven.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en wijst zaak terug voor nieuwe berechting vanwege onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.