Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk is en een taakstraf. Het cassatiemiddel klaagde dat het hof ten onrechte de aftrek van de duur van het voorarrest op de taakstraf niet had toegepast, maar slechts op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
De advocaat-generaal concludeerde dat de verdachte onvoldoende belang had bij de gegrondverklaring van deze klacht, omdat het verzuim van het hof geen aanleiding gaf tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigde dit en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad benadrukte dat ook als het hof verzuimd zou hebben om de aftrek van het resterende gedeelte van het voorarrest op de taakstraf te bevelen, dit een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig door het hof zelf kan worden hersteld. Hierdoor bestaat geen voldoende belang voor cassatie. De taakstraf moet worden verminderd met twee uur per dag voor de duur van het voorarrest, conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 9 december 2025, waarbij het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht over aftrek van voorarrest op taakstraf.