ECLI:NL:HR:2025:1872

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24/01649
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 SrArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatie wegens onvoldoende belang bij aftrek taakstraf voor voorarrest

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk is en een taakstraf. Het cassatiemiddel klaagde dat het hof ten onrechte de aftrek van de duur van het voorarrest op de taakstraf niet had toegepast, maar slechts op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.

De advocaat-generaal concludeerde dat de verdachte onvoldoende belang had bij de gegrondverklaring van deze klacht, omdat het verzuim van het hof geen aanleiding gaf tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigde dit en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

De Hoge Raad benadrukte dat ook als het hof verzuimd zou hebben om de aftrek van het resterende gedeelte van het voorarrest op de taakstraf te bevelen, dit een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig door het hof zelf kan worden hersteld. Hierdoor bestaat geen voldoende belang voor cassatie. De taakstraf moet worden verminderd met twee uur per dag voor de duur van het voorarrest, conform artikel 27 lid 1 Sr Pro.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 9 december 2025, waarbij het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht over aftrek van voorarrest op taakstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01649
Datum9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 april 2024, nummer 21-001959-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van artikel 80a RO.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft verzuimd de aftrek van artikel 27 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht te bevelen ten aanzien van de taakstraf die naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte is opgelegd, omdat het hof die aftrek slechts heeft toegepast op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
2.2
De verdachte heeft onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Daarom zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2025.