Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging
4.Beslissing
12 december 2025.
Hoge Raad
In deze civiele zaak gaat het om een incident tot voeging in cassatie. X en Y, zussen van Z, die beschuldigd werd van seksueel misbruik binnen een gemeente van de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (CGJG), hebben zich willen voegen aan de zijde van CGJG in de cassatieprocedure tegen Z.
Z werd door het gerechtshof onrechtmatig geacht ten onrechte als dader van seksueel misbruik te zijn aangemerkt, waarna het hof CGJG beval om de gezinnen met minderjarige kinderen te informeren dat Z geen kindermisbruiker is. X en Y vrezen dat dit bevel hun positie als vermeende slachtoffers schaadt binnen hun besloten gemeenschap.
De Hoge Raad oordeelt dat de incidentele vordering tot voeging tijdig is ingesteld en dat X en Y voldoende belang hebben bij voeging vanwege de mogelijke negatieve gevolgen van het hofbevel voor hen. De vordering wordt daarom toegewezen, met een verwijzing naar een latere beslissing over de kosten en een vervolgdatum voor schriftelijke toelichting.
De zaak betreft de afweging tussen procesrechtelijke regels over voeging en de belangen van vermeende slachtoffers binnen een kerkgenootschap, waarbij de Hoge Raad het belang van een goede procesorde en bescherming van betrokkenen in acht neemt.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de incidentele vordering tot voeging in cassatie toe aan de zijde van CGJG.