ECLI:NL:HR:2025:19

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
22/02130
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 2 OpiumwetArt. 81 Wet ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak belediging politieambtenaar en bezit cocaïne

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor belediging van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening en voor het aanwezig hebben van cocaïne in zijn garage. Het hof oordeelde dat de uitlatingen van de verbalisanten terecht als vorderingen tot het neerleggen van de mobiele telefoon konden worden gezien, en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat er cocaïne in de zakjes aanwezig was.

De verdediging voerde meerdere klachten aan, waaronder over de bewijswaardering en het niet reageren op een noodweerverweer, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten zonder nadere motivering. Tevens werd beoordeeld of het gebruik van handboeien gerechtvaardigd was gelet op de recalcitrantie van verdachte en het mogelijke gevaar voor politieauto-inzittenden.

Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, oordeelde de Hoge Raad dat gezien de opgelegde taakstraf van twintig uur geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de taakstraf van twintig uren blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02130
Datum7 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juni 2022, nummer 21-004454-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 januari 2025.