ECLI:NL:HR:2025:1900

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/04402
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake aanspraak op bankbonussen

In deze zaak vorderden twee bankiers, woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten, aanspraak op bonussen van ABN AMRO Bank N.V. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam meerdere arresten uitvaardigde, die door de bankiers in cassatie werden aangevochten. ABN AMRO stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten en nam kennis van de conclusies van de Advocaat-Generaal.

Na beoordeling van de klachten over de arresten van het hof oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten onvoldoende waren om de arresten te vernietigen. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro was het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijke incidentele beroep van ABN AMRO werd daarom niet behandeld.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep van de bankiers af en veroordeelde hen in de proceskosten, begroot op € 8.206 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. Het arrest werd gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de bankiers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/04402
Datum12 december 2025
ARREST
In de zaak van
1. [bankier 1],
wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,
2. [bankier 2],
wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,
EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [bankier 1] en [bankier 2],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.M. Dekker.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 7712630 CV EXPL 19-9051 van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2019 en 23 februari 2021;
b. de arresten in de zaak 200.293.048/01 van het gerechtshof Amsterdam van 6 september 2022 en 3 september 2024, aangevuld bij arrest van 26 november 2024.
[bankier 1] en [bankier 2] hebben tegen de arresten van het hof van 6 september 2022 en 3 september 2024 beroep in cassatie ingesteld.
ABN AMRO heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [bankier 1] en [bankier 2] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de arresten van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [bankier 1] en [bankier 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [bankier 1] en [bankier 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
12 december 2025.