Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van [bankier 1] en [bankier 2] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
12 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak vorderden twee bankiers, woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten, aanspraak op bonussen van ABN AMRO Bank N.V. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam meerdere arresten uitvaardigde, die door de bankiers in cassatie werden aangevochten. ABN AMRO stelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten en nam kennis van de conclusies van de Advocaat-Generaal.
Na beoordeling van de klachten over de arresten van het hof oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten onvoldoende waren om de arresten te vernietigen. Gezien artikel 81 lid 1 RO Pro was het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijke incidentele beroep van ABN AMRO werd daarom niet behandeld.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep van de bankiers af en veroordeelde hen in de proceskosten, begroot op € 8.206 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. Het arrest werd gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de bankiers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.