ECLI:NL:HR:2025:1918

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/03371
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 457 lid 1 sub c SvArt. 460 lid 2 SvArt. 465 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvraag tot herziening wegens procedurele tekortkomingen niet-ontvankelijk

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin de aanvrager werd veroordeeld voor verkrachting. De aanvrager verzocht herziening op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder het ontbreken van een tolk tijdens de behandeling en nieuwe voicemailberichten van het slachtoffer.

De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 lid 1 sub c en Pro artikel 460 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen moet een aanvraag tot herziening worden onderbouwd met stukken die aantonen dat het onderzoek op de terechtzitting niet volledig was en dat dit tot een andere uitkomst had kunnen leiden.

Ondanks dat de raadsman aanvullend gelegenheid had gekregen om stukken te overleggen, werden bij de aanvraag geen stukken gevoegd. Hierdoor kon de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen en verklaarde deze niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare zitting.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de vereiste onderbouwende stukken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/03371 H
Datum16 december 2025
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2023, nummer 16-242684-22, ingediend door J.J. Bronsveld, advocaat in Bergen op Zoom,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor verkrachting tot een gevangenisstraf van 540 dagen, waarvan 374 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
Artikel 460 lid 2 Sv Pro schrijft voor dat de aanvraag tot herziening de gronden moet vermelden waarop de aanvraag berust en dat bij de aanvraag stukken moeten worden gevoegd ter onderbouwing van die gronden.
3.3
Bij de aanvraag zijn, ondanks de daartoe aanvullend aan de raadsman geboden gelegenheid, geen stukken gevoegd. Het gevolg daarvan is – gelet op artikel 460 lid 2 en Pro 465 lid 1 Sv – dat de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling kan nemen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 december 2025.