Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin de aanvrager werd veroordeeld voor verkrachting. De aanvrager verzocht herziening op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder het ontbreken van een tolk tijdens de behandeling en nieuwe voicemailberichten van het slachtoffer.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 lid 1 sub c en Pro artikel 460 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen moet een aanvraag tot herziening worden onderbouwd met stukken die aantonen dat het onderzoek op de terechtzitting niet volledig was en dat dit tot een andere uitkomst had kunnen leiden.
Ondanks dat de raadsman aanvullend gelegenheid had gekregen om stukken te overleggen, werden bij de aanvraag geen stukken gevoegd. Hierdoor kon de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen en verklaarde deze niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare zitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de vereiste onderbouwende stukken.