Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2007, waarin de verdachte was veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift in de periode van 4 april 1997 tot en met 1 december 1999. Het misdrijf valt onder artikel 225 lid 1 Sr Pro, waarop een gevangenisstraf van maximaal zes jaren staat.
De aanzegging van het vervolgingsbesluit vond plaats op 20 juli 2024. Uit het dossier blijkt dat in de twaalf jaren voorafgaand aan deze aanzegging geen vervolging is ingesteld. Hierdoor is de verjaringstermijn zoals bedoeld in artikel 70 lid 1 onder Pro 3º Sr verstreken, waardoor het recht tot strafvordering is vervallen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en de uitspraak van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Hierdoor kan de verdachte niet langer strafrechtelijk worden vervolgd voor de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring.