ECLI:NL:HR:2025:1919

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/04424
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 SrArt. 70 lid 1 onder 3º SrArt. 435 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens verjaring valsheid in geschrift

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2007, waarin de verdachte was veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift in de periode van 4 april 1997 tot en met 1 december 1999. Het misdrijf valt onder artikel 225 lid 1 Sr Pro, waarop een gevangenisstraf van maximaal zes jaren staat.

De aanzegging van het vervolgingsbesluit vond plaats op 20 juli 2024. Uit het dossier blijkt dat in de twaalf jaren voorafgaand aan deze aanzegging geen vervolging is ingesteld. Hierdoor is de verjaringstermijn zoals bedoeld in artikel 70 lid 1 onder Pro 3º Sr verstreken, waardoor het recht tot strafvordering is vervallen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en de uitspraak van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Hierdoor kan de verdachte niet langer strafrechtelijk worden vervolgd voor de ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04424
Datum16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
2.3
Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld.
2.4
De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid Pro 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
2.5
De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 december 2025.