Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007. De verdachte was beschuldigd van valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999. Het hof had de verdachte in 2007 veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat het recht tot strafvordering is vervallen wegens verjaring. De aanzegging van de vervolging was op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend, maar uit de stukken bleek dat er gedurende twaalf jaren voorafgaand aan deze aanzegging geen daad van vervolging was verricht. Hierdoor was de termijn van verjaring, zoals bepaald in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º van het Wetboek van Strafrecht, verstreken. De Hoge Raad heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, wat betekent dat de vervolging niet kan doorgaan. De beslissing van het hof is vernietigd, evenals de uitspraak van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 2 mei 2002.