Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
16 december 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd vrijgesproken van witwassen van een bedrag van €18.950 vanwege bewijsuitsluiting. De bewijsuitsluiting volgde op onrechtmatig binnentreden in de woning van de verdachte, waarbij het hof oordeelde dat er onvoldoende verdenking bestond voor het binnentreden.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het verweer verwierp dat onvoldoende verdenking bestond om de woning binnen te treden op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer toereikend gemotiveerd heeft verworpen en dat het verweer niet voldeed aan de eisen van artikel 359a Sv.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar zag geen aanleiding tot andere rechtsgevolgen.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde daarmee de vrijspraak van de verdachte. De straf van acht weken gevangenisstraf werd als disproportioneel beoordeeld vanwege de termijnoverschrijding.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak wegens bewijsuitsluiting na onrechtmatig binnentreden en verwerpt het cassatieberoep.