Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1921

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/03006
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 96 SvArt. 359a SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting bij witwassen na onrechtmatig binnentreden

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd vrijgesproken van witwassen van een bedrag van €18.950 vanwege bewijsuitsluiting. De bewijsuitsluiting volgde op onrechtmatig binnentreden in de woning van de verdachte, waarbij het hof oordeelde dat er onvoldoende verdenking bestond voor het binnentreden.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het verweer verwierp dat onvoldoende verdenking bestond om de woning binnen te treden op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer toereikend gemotiveerd heeft verworpen en dat het verweer niet voldeed aan de eisen van artikel 359a Sv.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn was overschreden, maar zag geen aanleiding tot andere rechtsgevolgen.

Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde daarmee de vrijspraak van de verdachte. De straf van acht weken gevangenisstraf werd als disproportioneel beoordeeld vanwege de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak wegens bewijsuitsluiting na onrechtmatig binnentreden en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03006
Datum16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 juli 2023, nummer 22-001780-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat onvoldoende verdenking bestond om de woning binnen te treden op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
2.2
De bewezenverklaring, de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, het in het cassatiemiddel bedoelde verweer en de motivering van de verwerping van dat verweer door het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2-3.5.
2.3
De verwerping van het verweer door het hof is – om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9 en 3.10 zijn vermeld – toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt daarom.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van acht weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 december 2025.