Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt en handel in hennep. De verdediging verzocht om het horen van een getuige, welke verzoeken in verschillende fasen van de procedure werden gedaan en beoordeeld. Het hof oordeelde dat het verzoek tot het horen van de getuige tijdens de terechtzitting van 26 april 2022 niet was gehandhaafd door de verdediging, waardoor het hof toen geen beslissing hoefde te nemen over het horen van deze getuige.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door te oordelen dat het verzoek om de getuige te horen pas op de terechtzitting van 9 juni 2023 opnieuw is gedaan en dat het hof daarom pas toen een beslissing hoefde te nemen. Het eerdere verzoek op 8 december 2020 werd als een verzoek op grond van art. 414 Sv Pro aangemerkt, waarop uitvoering is gegeven door verwijzing naar de raadsheer-commissaris. De verdediging had het verzoek opnieuw gemotiveerd moeten indienen indien zij wilde dat de getuige alsnog werd gehoord in de ontnemingszaak.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de opgelegde betalingsverplichting tot ontneming van € 6.985.804,98 wordt verminderd tot € 6.980.800. Het beroep wordt verder verworpen en de overige klachten leiden niet tot vernietiging van het hofuitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn.