Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd geconfronteerd met een betalingsverplichting van €203.220,53.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatiemiddel en concludeerde dat de klachten niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden, zodat geen uitgebreide motivering nodig was. Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan werd besloten tot vermindering van de betalingsverplichting met €5.000, waardoor het te betalen bedrag €198.220 bedraagt. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Kuijer en Kuiper.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €198.220 wegens overschrijding van de redelijke termijn.